Vikingschip varen in Amsterdam

De buitensport activiteit Vikingschip varen is uniek in Nederland. In een replica van een origineel Vikingschip  genaamd de Draecker roeien en zeilen op de Amstel. Het schip biedt plaats aan 12 deelnemers en een stuurman. De ideale teambuilding.

Buitensport evenement

Amstelsport is de enige locatie in Nederland waar je een Vikingschip kan huren voor bedrijfsuitje of vrijgezellenfeest. Zeilen en roeien als een stel Vikingen is de ideale teambuilding activiteit. Het schip is ook te combineren met de andere buitensport activiteiten van Amstelsport, zoals sloeproeien, boogschieten Archery tag en in te zetten bij evenementen tot 125 personen.     . Viking roeien 

vikingschip

Filmpjes van het Viking varen in Amsterdam

Google+

 

.

.

.

.

.

Meer informatie over Vikingschepen:

Kenmerken

Het Vikingschip kende een voor die tijd hoge graad van perfectie en was superieur in vaarsnelheid. Het gehele schip was in zijn bouw sterk, licht en flexibel geconstrueerd. De voor- en achterzijde van het schip kenden een gelijke vorm met een scheepshuid gemaakt van overnaads geklonken planken. Het grootspant vertoonde daarbij een zuivere accoladevorm. Door de geringe diepgang kon het op nagenoeg iedere rivier varen en door de vrij vlakke bodem op veel plaatsen landen. Het was zodanig zeewaardig dat het op de Noord-Atlantische Oceaan een storm kon doorstaan. Verder was de vorm van het Vikingschip vloeiend.

Alle in dit artikel genoemde schepen hebben een lange romp met een scherpe voor- en achtersteven. Bij de karveelgebouwde schepen van de Middellandse Zee en de Indische Oceaan lagen destijds de huidgangen met de randen tegen elkaar, in tegenstelling tot de overnaads geklonken Vikingschepen.

Longschip.jpg Knar 1.jpg
Grootspant van een “langschip” (niet op schaal onderling) Grootspant van een “knarr”


Langschip

Havhingsten fra Glendalough, reconstructie van het langschip de Skuldelev 2. Vikingschipmuseum Roskilde, Denemarken

Het type dat als oorlogs- en transportschip werd gebruikt was het zogeheten “langschip”, dat gezeild en/of geroeid kon worden.

Het langschip vertoont een lichte constructie met een lengte-breedteverhouding van circa 10:1 tot 5:1 en een beperkte diepgang. Een langschip kon gemakkelijk worden geroeid en een forse snelheid ontwikkelen. Het werd gezeild met een dwarsgeplaatst zeil.

Omdat intimidatie en uitstraling belangrijk waren, was het langschip vaak versierd met houtsnijwerk op de boorden en de stevens. Het snijwerk op de stevens was vaak een slangenkop of een draak. Hierdoor is de naam “drak(k)ar” ontstaan voor deze schepen.[bron?]

Een bekend teruggevonden langschip is de Skuldelev 2. Dit schip was circa 30 meter lang, bijna 4 meter breed en had een diepgang van 0,9 meter bij een volgeladen gewicht van 25 ton. Het kon een topsnelheid bereiken van 15 tot 20 knopen (27 tot 36 km/u) en een bemanning voeren tot circa 80 mensen van wie 60 roeiers.[3] In 1997 werd in de Deense stad Roskilde het grootste langschip teruggevonden. Dit langschip, de zogeheten Roskilde 6, was circa 36 meter lang, 3,5 meter breed en bood vermoedelijk plaats aan 78 roeiers en in totaal 100 bemanningsleden.[4]

Snek

De “snek” was het kleinste schip onder de langschepen. Het werd veel gebruikt. Een doorsnee snek wordt geschat op een lengte van 17 meter, 2,5 meter breed, 0,5 meter diepgang en vol geladen 6 ton zwaar. Het voerde dan een bemanning van 30 mensen, van wie 26 roeiers. Vermoedelijk was de Skuldelev 5, die een topsnelheid van 15 knopen kon halen, van het type snek.[3]

Knarr

Schaalmodel van een “knarr”, Vikingmuseum Haithabu

De “knarr” werd veel gebruikt als zeegaand vrachtschip en werd meestal gezeild. De knarr was functioneel gebouwd en had dus geen overbodige zaken zoals houtsnijwerk. Dit in tegenstelling tot langschepen zoals de snek die ook voor oorlogsdoeleinden dienden en dus moesten imponeren. De knarr was de voorloper van de kogge.

Tussen een langschip en een knarr bestonden aanzienlijke verschillen: de knarr was breder (3:1) en had voor en achter een halfdek met faciliteiten voor roeiers en midscheeps ruimte voor lading. Een knarr was ook hoger van bouw dan een langschip en bezat een doorlopend, laag geplaatst dek met gaten in de bovenste huidgang om riemen door te steken.

Men vermoedt dat de 12 ton zware Skuldelev 1 van het type knarr is. Dit teruggevonden schip was 16 meter lang bij 5 meter breed. Volgeladen kon het 24 ton lading hebben en kreeg het een diepgang van 1,3 meter met een bemanning van 6 tot 8 personen.[3]

Karve

De “karve” was een klein vracht- of oorlogsschip om vooral langs de kust te varen, hoewel het ook zeewaardig was. De karve was een kleine uitvoering van het langschip met een lengte-breedteverhouding van circa 5:1. Met zijn geringe diepgang kon het overal komen. Het circa 23 meter lange Gokstadschip en het Osebergschip zijn karven.

Boten

Ook boten die onder meer dienden voor de visserij, worden weleens tot de Vikingschepen gerekend. Teruggevonden vissersboten hadden een lengte vanaf 6 meter.[5] Verder werden in het Gokstadschip drie kleinere roeiboten teruggevonden, die vermoedelijk ook gezeild konden worden. Ze dienden als sleepbootje achter het schip, mogelijk om lading aan boord mee af te dekken en als pendelbootje van het schip naar de wal. Een van die drie teruggevonden boten was 6,5 meter lang en had 4 roeiriemen. Dit type noemt men ook wel “faering”.[6] De tweede was groter; dit 10 meter lange type noemt men ook wel “seksring”. Deze benamingen typeren het aantal roeiriemen, dus vier of zes.

Bouwtechniek

Om een compleet Vikingschip te bouwen waren drie verschillende grote werkzaamheden nodig. De grootste was de houtbouw met vooraf bomen kappen en het hout bewerken voor de vele houten onderdelen van het schip. Verder moest het zeil met het touwwerk gemaakt worden en moest het ijzer gesmeed worden zoals voor de klinknagels.

Houtbouw

Detail: steven van het Osebergschip uit circa 820 met de klinknagels en fraai houtsnijwerk

Gereconstrueerde Skuldelev 2 in aanbouw

Bij de kapplaats of werf[7] werden de, veelal eikenhouten, boomstammen met wiggen gespleten tot ruwe balken of kwartierse planken[3] (kwartiers = hout met jaarringen haaks op de breedte van de plank, waardoor het hout nauwelijks “werkt”). Vervolgens werden de ruwe balken en planken voornamelijk met bijlen op maat en glad gemaakt. De eerste fase van het bouwproces was het leggen van de T-vormige kielbalk(en). Daarna begon men met de onderste rij huidplanken en deze werd aan de kielbalk(en) en stevens geklonken. Door de onderliggende rij huidplanken met de daarboven komende rij overnaads aan elkaar te bevestigen, verkreeg een Vikingschip over de lengte een uitwendige skeletstructuur met een grote sterkte en een relatief laag gewicht.

Plankenrij boven plankenrij werkte men overnaads, met soms extra inzetdelen bij de stevens, naar boven toe om de romp te bouwen. Daarbij werden na het klinken van de eerste rijen huidplanken op regelmatige afstanden de V-vormige spanten binnenin de romp aangebracht. Onderling en bij de stevens bevestigde men de huidplanken door ze in voorgeboorde gaten van buitenaf te klinken met onverwarmde smeedijzeren klinknagels, circa om de 2 à 6 duim. Om het loswerken van de klinkverbinding tegen te gaan, werd aan de binnenzijde van het schip over de klinknagel een ijzeren sluitplaatje geschoven, waarna de punt van de klinknagel deels werd afgeknipt en het overige gedeelte werd afgeplat.

Huidplanken die stuitend (met het uiteinde) op dezelfde rij aansloten op elkaar of op de steven, werden verjongd (afgeschuind) om een betere naadafdichting en een groter bevestigingsoppervlak voor de klinkers te krijgen. Tevens werd deze naad net voor het plaatsen van de aansluitende huidplank reeds gebreeuwd. Het overige breeuwsel tussen de rijen huidplanken werd achteraf aangebracht. Tezamen met een gebrande boomteerolie die tussen en op de houten onderdelen werd gesmeerd, ontstond een goede waterdichte en duurzame romp. Hierna kon men het schip verder gaan opbouwen.

De kolsem was een speciaal groot liggend eiken onderdeel dat bij langschepen, het Gokstadschip en het Osebergschip midscheeps binnenin was aangebracht. De onderzijde van de kolsem sloot passend aan op de V-spanten. Het was bevestigd met extra houten onderdelen en door te klinken. Op de kolsem kon de onderkant van de houten mast worden gezet, waarna de mast nog extra onderdelen kreeg om deze staande te houden.

De houten onderdelen van het schip die een speciale vorm hadden, zoals de stevens, V-spanten en de kolsem, werden in zijn geheel uit delen van eikenbomen gehaald die van nature reeds in die vorm waren gegroeid. In een aantal gevallen is bekend dat een Vikingschip (groten)deels van een andere houtsoort dan eiken was gemaakt, zoals bij de zogenaamde Skuldelev 1 en 6 die deels van grenenhout waren gemaakt. Ook is door de archeologische vondsten bekend dat er naast eiken- en grenenhout, voor onderdelen hout werd gebruikt van de es, els en linde.[2]

Een belangrijk laatste onderdeel om het schip betere vaareigenschappen en diepgang mee te geven, was om het te verzwaren met ballast in de vorm van het plaatsen van stenen (keien) op de bodem van het schip. Per schip, met ieder zijn specifieke bouw, lengte, aantal bemanningsleden en eventuele vracht, kon het ballastgewicht verschillen. Bij het grootste gereconstrueerde schip, het 30 meter lange langschip de Skuldelev 2, werd een gewicht aan ballaststenen geplaatst van ruim 5 ton.[3]

Ook bleek bij het reconstrueren van deze Skuldelev 2, dat om het geheel met de middelen van toen na te kunnen maken er, inclusief het maken van de zeilen met het touwwerk, het ijzerwerk en de boomteerolie, tussen het jaar 2000 en 2004 40.000 werkuren nodig waren. Voor alleen de houtbouw waren 27.000 werkuren nodig. Men schat dat in de Vikingtijd een vakkundige bouwploeg van een bouwmeester, tien bootbouwers en een grote werkploeg in het bos, de bouw van dit schip in zeven maanden kon voltooien.[3]

Tuigage

Van een Vikingschip is nooit een compleet zeil met touwwerk teruggevonden. Naar aanleiding van onder andere onderzoek, oude verhalen en afbeeldingen, zoals op het tapijt van Bayeux, heeft men wel vermoedens hoe het zeil en het touwwerk er destijds uitzagen.[3] De schepen van het tapijt van Bayeux lijken echter al zwaarder en minder slank dan de oorspronkelijke Vikingschepen. In ieder geval konden alle Vikingschepen worden gezeild met vermoedelijk een uiterst sterk gemaakt rechthoekig wollen zeil met een bovenra. Het zeil was waarschijnlijk gemaakt van, een soms dubbeldikke, geweven schapenwol en ingeolied of gewaxt om het beter te beschermen tegen het water en weersinvloeden. Ter voorkoming van het uitzakken van het zeil was dit vermoedelijk uitgevoerd met een kruislings diagonaal verstevigingswerk van touw of dunne leren stroken. Het maken van een zeil was arbeidsintensief, maar een zeil kon 35 tot 50 jaar meegaan.[8]

Het touwwerk werd door de touwmaker vervaardigd uit de bast van de linde of van paardenhaar.[3] Ook wilgentwijgen werden wel gebruikt bij de vervaardiging van de touwen.[9]Voor een groot langschip als de Skuldelev 2 was totaal 2 kilometer touw benodigd.

De manier van tuigen is afkomstig van de Middellandse Zee en via de Friezen in Scandinavië gekomen.[10] De mast kon worden uitgenomen en op zogenoemde “mikken” boven de kiel worden geplaatst tezamen met de bovenra. Een lang rondhout, de zogeheten beitass, werd bij Vikingschepen gebruikt om het voorlijk van het zeil te kunnen uithouden.[11] en zodoende kon men verbazend hoog aan de wind zeilen. Dit was mede te danken aan de zeer goede T-vormige kiel.

Een Vikingschip had maar een enkele rij roeiriemen nodig omdat het zeil meer werd gebruikt dan op een Middellandse Zeegalei. De ra kon, enigszins ongewoon voor vierkant getuigde schepen, zeer snel langsscheeps worden gebrast. Daardoor kon hoog aan de wind worden gezeild, al bleef de drift naar lij aanzienlijk door de geringe diepgang en het gemis van een diepstekende kiel. Men stuurde met een lange stuurriem die was bevestigd aan stuurboord, (vandaar ook de naam), van het achterschip. Met een helmstok van een meter lang bleef het roerblad hanteerbaar, ook in de ruwste zeeën.

IJzerwerk

Om een Vikingschip te bouwen was ijzererts nodig om de ijzeren klinknagels, het anker en de werkgereedschappen als de bijlen te smeden. Voor een langschip als de Skuldelev 2 vergde het 1000 werkuren om uit 400 kilo ijzer 7000 klinknagels te smeden.[3]